Een boek van Neale Donald Walsch dat toen het verscheen in 1997 al meteen een bestseller was. Een hype dus en voor mij altijd een reden om het dan ook maar niet te lezen. Niet meteen althans. Maar nu, tien jaar later, kom ik het weer tegen doordat iemand er enthousiast over vertelde. En wat is een betere tijd om het dan toch maar eens te gaan lezen, zo net voor het nieuwe jaar en in een periode dat de ‘engelen en herders’ in grote getale rondom ons zijn?
Het boek beschrijft de gesprekken die de auteur rechtstreeks heeft gehad met God, zijn vragen en diens antwoorden. De vragen gaan uiteraard vooral over de zin van het leven en onze rol hierin. En die van God natuurlijk. Ik ben nog maar bij pagina 38, maar wat me nu al aanspreekt is wat er gezegd wordt over de ziel, je eigenlijke diepere identiteit. Een ziel die als deel van God wéét wat hij is en waar hij deel van uitmaakt, maar die als uiteindelijke doel heeft zichzelf te willen ervaren in de fysieke werkelijkheid. En de enige manier om dit te doen is door te scheppen. De ziel wil zichzelf tot uitdrukking brengen in de wereld. Zodat het kan ZIJN wie het al die tijd al IS. Eerst Weten, dan Scheppen en dan Zijn.
Dat andere boek over God, de Bijbel, ligt ook op de salontafel. Hierin ben ik al tien keer zo ver gevorderd als in het eerste boek, namelijk pagina 397, maar van échte vorderingen is in dit boek nog geen sprake. Koning David heeft zojuist het zoveelste volk onderworpen en nog maar eens tienduizenden gedood. Veel erbarmen ben ik in dit boek nog niet tegengekomen en ideeën rondom integratie ook niet. Dat schijnt wel nog allemaal te komen in deel twee, het Nieuwe Testament.
Stom eigenlijk dat ze deze boeken niet andersom hebben gebundeld.