Halloween
Als feest – zegt men – wordt Halloween in Nederland steeds populairder. Als film zijn er al 11 versies van gemaakt, maar dan vooral met (scherp) mes en vork en niet met een onschuldig lampionnetje gemaakt van een meloen. Of was het een pompoen? In ieder geval was het in mijn jeugd geen van beide maar een suikerbiet die mijn vader voor me uitholde, en ging ik niet langs de deuren om snoep op te halen op 31 oktober maar op 11 november. Dan zongen we uiteraard de verkorte versie van het St. Maarten lied (anders kreeg je die plastic zak nooit vol) en dat ging dan ongeveer als volgt:
St. Maarten, St. Maarten,
geef me unne nieuwe hoed (tata…).
De oude is versleten,
mijn moeder mag nie weten,
hoempatè hoempatè,
geef me unne cent
en we zijn tevree.
Ik heb er maar één keer aan meegedaan en dan kregen we snoep of – in geval van een vervelend vrouwmens die geen enkel verstand van kinderen heeft – een mandarijn. Of nog erger, een sinaasappel. Soms ook geld maar dat stond dan weer gelijk aan snoep dus dat zat goed. Zelf was ik eigenlijk niet zo geïnteresseerd in dat snoep maar meer in wie er allemaal achter die deuren woonde. Elke dag liep ik er langsdoor op weg naar school maar zag nooit iemand. En dan, tijdens die avond, gingen de deuren open en keek je in het gezicht van een onbekende vrouw (het waren altijd vrouwen) en stond ik versteld van hun oprechte glimlach bij het zien van ons huichelachtige toneelstukje om snoep af te trochelen. Iedereen scheen dit normaal te vinden, zelf voelde ik me een bedrieger. De jaren daarna bleef ik dan ook thuis en nu ik volwassen ben is er nog steeds iets overgebleven van die plaatsvervangende schaamte, want als er kinderen op die dag langs mijn deur komen doe ik meestal of ik niet thuis ben. Sorry kinderen, maar ik ben ook maar een mens(kind).




















