Vandaag, tijdens mijn bezoek aan mijn ouders, ben ik even met mijn vader naar de huisartsenpost geweest omdat hij behoorlijk last had van een ontstoken oog. Mijn moeder en ik vonden het een dermate zielig gezicht, dat we bij hem aandrongen er even een arts naar te laten kijken. Hij zat duidelijk te wachten op dit voorzetje van ons, en het duurde dan ook niet lang voordat hij zei “Nou, dan bel hem maar even.”

De huisarts ‘zit’ echter niet meer zoals vroeger. Toen keek je in het weekendkrantje of je belde je eigen huisarts op om te vragen wie er dienst had dat weekend. Bij ons heette het dan “Wie zit er dit weekend?”. HuisartenpostTegenwoordig ‘pósten’ de huisartsen echter, net zoals ze dat doen in het leger, of tijdens een noodsituatie. Dan noemen ze het hulpposten, wat nog aardig klopt, maar een huisarts post in het weekend niet meer thuis maar uit. In dit geval in de benedenverdieping (kelder) van dezelfde vleugel van het ziekenhuis als waar de spoedgevallen zich dienen te melden. Een echt plezierige binnenkomer is dat niet wanneer je alleen maar last hebt van een ontstoken oog.

De rest was trouwens ook niet plezierig. Nou is een artsenbezoek dat meestál niet, maar ik kon niet wachten tot we weer in de auto zaten op weg naar huis. Eerst een minuut of tien moeten wachten achter de rode privacystreep terwijl we het gesprek volgden wat degene vóór ons had had met de assistente. Dan nog eens tien deprimerende minuten moeten wachten op de arts terwijl er een spoedgeval naar binnen gevoerd werd. Een nog jonge arts was het, die nadat hij mijn vaders naam genoemd had, ónze naam, zich snel omdraaide en alweer terugbeende naar zijn spreekkamer. HuisartenpostZe ‘zitten’ daar namelijk met zijn vieren, en mijn vader hobbelde in alle haast achter hem aan om hem niet uit het oog te verliezen. In de tussentijd moest ik even zorgen dat een groen kartonnetje met ‘vrijgesteld van heffing’ zichtbaar achter de voorruit van mijn auto kwam te liggen. Daarna met mijn vader naar de overkant gelopen met het recept. De ‘overkant’ is een soort noodgebouw waar de apotheek gevestigd was. Eerst aanbellen want anders kwam je er niet in, en bij het weer naar buiten gaan oppassen dat je je nek niet breekt over het onverwachte ‘afstapje’ (ik moest mijn vader snel bij zijn elleboog grijpen anders was hij zó voorover gekukeld). En wanneer we weer bij de auto zijn natuurlijk eerst dat kartonnetje weer terugbrengen.

Je moet natuurlijk blij zijn dat we nog zo’n goede gezondheidszorg hebben ons land, maar het wordt er niet vriendelijker en toegankelijker op.