Een kennis houdt me regelmatig op de hoogte van de gang van zaken rondom het afbreken van een heuvel in haar tuin en wat daarbij niet al naar boven komt van wat vorige eigenaren jarenlang onder de grond gestopt hadden. Vandaag kon ik de lol daarvan (want niet mijn eigen tuin) zelf meemaken terwijl ik met een groepje mensen bezig was de tuin van een vriendin op orde te krijgen. Of het begin daarvan, want een met onkruid overwoekerde tuin van een meter of vijftig heb je niet in een dag gedaan, zelfs niet met een man of acht.
Behalve levende verrassingen zoals padden, wandelende takken en salamanders kwam er ook veel cultureel erfgoed naar boven: een oude bank, oude tuinstoelen, een tegelvloer, dakpannen, een betonnen afrastering, gereedschap van opa, potten en pannen van oma, een paar deuren, gietijzeren voorwerpen, en nog allerlei ander klein spul. Dit allemaal deed me denken aan mijn eigen opgravingen van vroeger als kind. Een tuin hadden we niet, maar tussen de struiken rondom onze flat was toch vanalles te vinden. Wasknijpers natuurlijk en poetslappen, soms ook een zakdoek of onderbroek die van een waslijn naar beneden was gevallen maar die men blijkbaar te oud vond om daar twee trappen voor naar beneden te moeten lopen. Soms ook speelgoed of viltstiften, en een enkele keer iets heel bijzonders, zoals een koperen pot.
Die pot was een vondst, ik zie hem nog voor me. Goudgeel van kleur en glimmend met hier een daar een deukje ten teken dat hij al héél erg oud moest zijn en vast en zeker een fortuin waard. Ik heb hem toen begraven om het hoekje van de flat voor later. En later is nu en omdat we momenteel in een recessie zitten wordt het tijd mijn schat maar weer eens op te gaan graven en te gelde te maken. We zijn inmiddels zo’n 35 tot 40 jaar verder, dus de waarde kan alleen maar gestegen zijn.