Ook mannen kunnen langdradig zijn. Dat zei vriendin M. tegen me als reactie op twee eerdere berichtjes over verhalen vertellende vrouwen (hier en hier). En ze heeft natuurlijk gelijk en keek terwijl ze dit zei met haar neus veelzeggend mijn kant op. En een neus is waar deze afkeer voor langdradigheid überhaupt mee begonnen is. Als kind hadden we namelijk een buurman in ons trappenhuis wonen die me regelmatig staande hield als ik langs hem heen wilde lopen, naar buiten waar er op me gewacht werd met een partijtje voetbal. Hij kwam dan dicht bij me staan, keek langs me heen om zich beter te kunnen concentreren en trok dan even hard aan zijn neus. Elke keer als hij aan zijn neus trok kwam er een volgend stukje van zijn verhaal naar buiten. En geloof me, deze buurman had een hele lange neus, dus zijn verhalen duurden en duurden. Nooit heb echter ook maar een woord kunnen onthouden van wat hij vertelde, want mijn aandacht werd volkomen inbeslaggenomen door het kijken naar zijn neus en zijn gebaren en het luisteren naar de geluiden die hij daarbij produceerde. Hij had trouwens ook lange vingers en soms vroeg hij me met een rukje aan zijn wijsvinger te trekken. Maar dat is een ander verhaal.

Gek, maar soms kom ik die buurman nog steeds tegen. Niet echt natuurlijk, hij is inmiddels al lang overleden, maar een toneelvoorstelling of een schrijver of dichter die voorleest uit eigen werk? Niet aan mij besteedt. Ik word er onrustig van en wil liever weg. Dat partijtje voetbal is al lang afgelopen, maar geef mij de woorden maar op een papiertje zodat ik ze in alle rust kan lezen. Maar om de woorden zal het deze man vast niet te doen zijn geweest.