Dronken
Gisteravond stond ik in een rovershol, ergens in Tilburg. Ik moest er foto’s maken van een feest en wat optredens. Een afbraakpand was het, op de nominatie om binnenkort gesloopt te worden, geen plekje op de muren dat niet met grafitti overdekt was, en er mocht gerookt worden. Geen fijne plek voor iemand die toch al regelmatig last heeft van astma. Even wat foto’s maken tijdens de eerste paar nummers van de band, en dan snel weg. Nog voor aanvang van het optreden stond één meisje al vooraan. Lange blonde rastaharen en met in de ene hand een groot glas bier en in de andere een joint van een centimeter of twintig. Ze stond al een beetje voor te wiegen op de klanken die gingen komen. Toen de band eenmaal begon te spelen hield ze niet meer op, met bewegen en vooraan staan. Dat durft. Maar zou ze daar ook staan zonder dronken te zijn van de alcohol en wiet, vroeg ik me af. Ben ik daar zelf te nuchter voor? Zou zij het zelf nog wel doen als ze nuchter was? Waarom vinden we nuchter zijn zo belangrijk?
Zomaar wat dingen die ik me afvroeg toen ik naar haar stond te kijken. Toch wel een tikkie jaloers moet ik zeggen. Dat doet maar, gooit haar jas zomaar ergens in de hoek, hoofd in haar nek en dan maar rondjes draaien op de muziek. Waarom moeten we van onszelf altijd maar nuchter zijn? Spreken we niet over dronken zijn van geluk? Dronken van blijdschap? Hoteldebotel en in de wolken? Boeddhisten zouden meteen wijzen op de verslavende en afhankelijke kanten van het dronken zijn, of dat nu veroorzaakt wordt door een opwekkend middel in je lijf of door gedachten vol verlangen. En gelijk hebben ze natuurlijk. Maar af en toe even met de voetjes van de grond is niet zo verkeerd. Misschien is dat ook wel wat dansen is. Spelen met de grond onder je voeten. Keer op keer, even in de lucht en dan weer terug op aarde. In een trance, maar dan zonder alcohol of wiet.










