Allerzielen
Gisteren was Allerzielen en ben ik met mijn moeder naar het kerkhof geweest in Sittard waar mijn vader begraven ligt. Allerzielen is niet alleen maar een feestdag, een hoogtijdag, waarop je de doden gedenkt die het dichtst bij je staan. Eigenlijk denk je dan even aan alle overledenen die je hebt gekend. Onze rondwandeling over het kerkhof begon dan ook niet bij het graf van mijn vader, maar bij die van zijn ouders. Dit graf ligt meteen rechts van de ingang en is aangekocht ‘voor eeuwig’. Een mooie vaas met gele bloemen sierde het eenvoudige graf. De dag ervoor nog gekocht en neergezet door mijn moeder. Allerheiligen en Allerzielen zijn ook de dagen dat je wat extra aandacht schenkt aan het uiterlijk van een graf. Een beetje poetsen, een nieuw plantje of bloemetje. Verderop kwamen we langs de graven van wat tantes en ooms, neven en nichten, vrienden en kennissen van mijn vader. Vroeger had je niet slechts een enkele verre neef die ergens in het noorden van het land woonde en verder niks. Familie was toen nog iets dat nauw verbonden was met ‘stam’. De familie Tummers, de stam Tummers. En gezinnen bestonden toen niet uit twee of drie of vier personen. Zeven, acht en meer was vrij normaal. Ik voelde me gisteren dan ook af en toe weer even een beetje kind als ik om de zoveel tijd tegen mijn moeder zei ‘Hé mam! Daar ligt ook weer een Tummers. Familie?’ En vaak volgde dan een antwoord als ‘Ja wacht, die ken ik ook. Ja, dat is de oom van de broer van de neef van tante Sjan’.
Het graf van mijn vader lag er mooi bij. Daar zorgt mijn moeder wel voor. Iedere week bezoekt ze zijn graf, soms wel een paar keer. Mijn moeder liet uiteraard weer een paar tranen lopen, en ik volgde als vanzelf. Uit mijn broekzak haalde ik een rode zakdoek om mijn tranen af te vegen en mijn bril schoon te maken. Een zakdoek die nog van mijn vader is geweest en waar hij regelmatig zijn eigen tranen mee afveegde. Tranen die vaak als vanzelf bij hem begonnen te stromen. ‘Tranende ogen’ heet dat dan, een ouderdomskwaaltje. We liepen verder en kwamen langs een open plek tussen twee grafstenen. Een paar maanden geleden lagen daar nog de ouders van mijn moeder. Het contract was niet verlengd en dus was het graf weggehaald om ruimte te maken voor een ander. Verderop kwamen we langs een nieuwer gedeelte van het kerkhof waar familieleden liggen die ik zelf nog heb gekend. Hier en daar lagen bosjes bloemen op de grond of op een heg. Een van de laantjes met graven viel meteen op. Die van de kinderen. Sommigen maar acht of negen jaar oud geworden, een ander nog net geen maand. Lieve kleine Sara, onze kleine Joep.
Ik hou van kerkhoven en grafstenen. Ik weet niet wat het is, maar ik voel op die plekken meer contact met het leven dan waar dan ook. Natuurlijk, ik voel het ook tijdens een wandeling in een bos of aan het strand, of als ik aandachtig naar een bloemetje kijk. Toch is dat anders. Op een begraafplaats begraaf je geen mensen met het doel ze weg te stoppen zodat je ze makkelijker kunt vergeten. Je begraaft ze opdat je ze zult blijven herinneren. En met die herinnering aan de overledene her-inner je je ook je eigen leven en je eigen sterfelijkheid. Leven en dood samengebald in één gevoel, één beeld. Niet eng of kil, maar juist heel erg warm en teder.







Een groep zeventigers is aan het ijveren voor een soort zelfmoordpil en het recht om zelf een einde aan het eigen leven te kunnen maken wanneer dat nodig of wenselijk is. Er is veel kritiek op omdat het mensen dan te makkelijk zou worden gemaakt en dat niemand zomaar een einde aan zijn eigen leven zou moeten kunnen maken want het leven is heilig en dat soort dingen. Gek eigenlijk. Al toen ik een jaar of zestien was en het leven even niet meer zag zitten vond ik het een geruststellend idee dat als het alleen maar bergafwaarts zou blijven gaan ik altijd nog de keuze zou hebben er een eind aan te breien. Later en ook nu nog vind ik dat een fijne gedachte. Niet dat ik het van plan ben. Ik heb het op dit moment prima naar mijn zin en nog veel om naar uit te kijken. Toch vind ik het bijna logisch dat ieder mens moet kunnen beschikken over zijn eigen leven en zijn eigen dood. Dat we die gedachte luguber of negatief zijn gaan vinden komt mijns inziens vooral doordat we de dood liever niet zien als onderdeel van het leven en er dus ons hele leven bang voor zijn.








