Zondagsgeld
Onlangs kwam het even ter sprake toen ik op bezoek was bij mijn ouders: zondagsgeld. Althans, zo heette dat toen. Tegenwoordig heet het zakgeld. En hoewel ze het wel eens tegen mij hebben gezegd was ik het allang weer vergeten. Mijn ouders geven elkaar namelijk nog elke zondag een klein zakcentje.
Elke zondag geven ze elkaar 5 euro. En dan niet uit de huishoudpot of via automatische overboeking, maar gewoon van hand tot hand. “Alsjeblief, hier heb je je 5 euro zondagsgeld.” “Dankjewel, en hier zijn jouw 5 euro. Veel plezier ermee.”
Je vraagt je af waarom ze het geld niet beter meteen in eigen portemonnee houden, maar dat willen ze niet. Ze vinden het leuk op deze manier en zo doen ze het al vanaf de dag dat ze getrouwd zijn, nu zo’n 43 jaar geleden als ik me niet vergis. Ze geven elkaar die 5 euro opdat de ander ermee doet wat hij wil zonder daar rekenschap over te hoeven afleggen. Dat geld gaat ook niet naar de bank maar ieder heeft daar zijn eigen potje voor. Zo betalen ze daar de koffie en ijsjes van als ze een dagje gaan fietsen, heeft mijn vader daar in de loop der jaren al zijn gereedschappen en materialen van betaald, en koopt mijn moeder zich daar eens een tijdschriftje voor of iets voor haar naaikamer. Geweldig toch?
Ik kan er soms jaloers op zijn, op mijn ouders. Ze hebben het nog steeds elke dag verschrikkelijk naar hun zin met elkaar. Ze hebben meer van zulke gewoontes als met dat zondagsgeld, ze raken nooit uitgepraat met elkaar en elke dag wordt er nog veel gelachen. Ik weet dat er ouders zijn waar kinderen vooral géén voorbeeld aan zouden moeten nemen, maar goede voorbeelden hebben kan dus ook lastig zijn! Want hoe evenaar je zoiets?
Dit is iets waar mijn moeder laatst mee aan kwam zetten. “Dat had je toch zo mooi geschreven”. Het was een briefje dat ik eens gemaakt had aan mijn vader, ergens in de eerste helft van de middelbare school. Atlhans dat denkt mijn moeder, ik weet het zelf niet meer zo goed. In elk geval gaat het over mijn gevoelens naar mijn vader. Dat ik mijn hele leven al bang ben dat hij dood zal gaan. Dat ik het nauwe warme contact met hem mistte van vroeger, als kind. Dat ik misschien wel al volwassen was, maar niet zo onafhankelijk als ik misschien wel zou willen zijn. Dat ik soms meer gevoel ben dan ik aankan.








