Fortuna Sittard
Het gaat slecht met het betaald voetbal in Nederland. De ene na de andere club moet geld lenen bij de eigen gemeente of verkoopt zichzelf aan een rijke buitenlander. Sinds kort gaat het zelfs met een club als PSV financieel slecht. Halen ze dit jaar de Champions League niet, dan gaat het zelfs héél slecht met ze. Een van de redenen voor deze crisis zijn natuurlijk de absurd hoge bedragen die de spelers krijgen voor hun potje voetbal. En de overmoed van het hele bestuur als het eens een keer een jaartje boven verwachting goed gaat met de club. Zo speelde Fortuna Sittard ooit een prima partijtje voetbal en promoveerde van de Eerste naar de Eredivisie. Hoe die divisies nu heten weet ik niet, ik volg het niet meer zo. Misschien wel de Gamma-klasse of de Snickers League. In elk geval was dat jaar voor Fortuna Sittard een geweldig jaar en was het huis te klein voor al die vreugde. Er moest en zou daarom een nieuw en groter stadion moeten komen dat, net als bij die andere topclubs, buiten de stad zou moeten liggen waar er meer ruimte is voor de grote stromen toeschouwers die nu zeker zouden komen. Dat stadion werd gebouwd en een aantal jaren later degradeerde Fortuna Sittard weer naar de Eerste Divisie. De jaren daarna ging het alleen maar slechter, was de club een aantal malen bijna failliet en staat de club dit jaar bijna onderaan. Waren ze maar gewoon blijven zitten in dat knusse stadion in de Sittardse wijk De Baandert. Ik heb daar zelf ook nog gevoetbald. Jaja, dat weet niemand, maar ik heb er ooit één wedstrijd gespeeld. Ik was zeven jaar oud en de pupillen van FSC (Fortuna Sittardia Combinatie) waar ik toen deel van uitmaakte moesten een wedstrijd spelen tegen de pupillen van een andere club. Het bestuur leek het toen wel aardig om die wedstrijd te laten spelen voorafgaand aan de wedstrijd van de grote mannen van het eerste elftal. Een soort voorprogramma. Op een zondagmiddag renden we met z’n allen het veld op voor een wedstrijd van twee keer twintig minuten. Langer dan dat hadden we echt niet gered. Het overgrote deel van onze opgebouwde conditie ging op aan het telkens weer overbruggen van dat immens grote veld. En wat was die goal opeens groot! Maakt niet uit waar je de bal raakte, het doel was zo groot en het keepertje zo klein dat hij er altijd wel inging. Maar feit blijft dat ik een wedstrijd in dat stadion gespeeld heb, om na afloop met een zakje gebrande pinda’s te gaan zitten uithijgen op de tribune. Ik moet nog steeds eens informeren bij de NOS of ze nog opnames hebben liggen van die wedstrijd.
Waarom ik dit allemaal vertel? Eigenlijk zomaar. Misschien ben ik wel in een sentimentele stemming geraakt door dat vorige verhaal over dat ijsje van 75 cent.
Als kind was ik gek op voetballen. Ik voetbalde op school in de pauzes, na school als de speelplaatsen helemaal leeg waren, thuis nog even voor het eten, na het eten, en dan natuurlijk ook nog tijdens de training en de competiewedstrijden op zaterdag. De bal was voor mij meer dan alleen maar een bal. Ik hield echt van de ding. De plastic versies iets minder dan van de leren, maar ook die kon ik liefdevol tussen mijn handen rondjes laten draaien. De leren ballen waren echter mijn favoriet. Als ik er niet tegenaan liep te schoppen pakte ik hem ook zomaar eens op. Ik keek dan aandachtig naar de gestikte naden, naar de kleine velletjes van de lak die aan het loslaten waren. Een leren bal rook heerlijk. Het rook niet alleen maar naar leer, maar ook naar gras en regen. Iedere bal had zijn eigen geluid dat ook nog eens veranderde naarmate hij voller of minder vol was opgepompt en hoe oud de bal was. En als de bal bijna aan het einde van zijn leven was begonnen de naden los te laten en zag je hoe de bal aan de binnenkant langzaam naar buiten probeerde te komen. In het begin zag je alleen nog maar de kleur van deze ‘binnenbal’, maar al gauw begonnen de uitstulpingen groter te worden, en dan wist je, iedere rake trap zou de laatste kunnen zijn.

Ik had geen postzegels meer en dus moest ik even langs het postkantoor.








