‘Dit is de eerste keer dat ik op de fiets ben’. Een jongen van een jaar of toch minstens 18 stond naast me bij het stoplicht en moest blijkbaar iets kwijt. ‘Kun je hier doorfietsen?’. Ik keek naar de overkant van de weg waar een prachtig rood fietspad zich honderden meters ver uitstrekte, nog glimmend van het nieuwe asfalt. ‘Mijn auto moet gekeurd worden, daarom ben ik vandaag op de fiets. Voor het eerst’. Ik wist niet of ik hem nou moest complimenteren of medelijde met hem moest hebben. Wat onwennig zat hij op zijn fiets, het zadel net iets te hoog afgesteld. Waarschijnlijk geleend van een familielid of kennis. ‘Maar zo zie je nog eens wat hè?’. Ja, zo zie je nog eens wat. En hoor je nog eens wat. Hij was zichtbaar onzeker en keek me regelmatig zijdelings even aan. Het is dan ook niet niks, zomaar in de buitenlucht op de fiets, helemaal alleen temidden van het verkeer. Toen het groen was ‘trok hij snel op’ en fietste voor me uit. Een beetje slingerend, zoals ook kinderen dat doen die net hebben leren fietsen op een voor hun te grote fiets. Af en toe keek hij schuin achterom, of ik nog in de buurt was. Voor het geval er iets mis zou gaan tijdens het fietsen, dat ik hem dan misschien wel naar huis zou kunnen brengen. Honderd meter verderop sloeg ik linksaf en verloor hem uit het oog. Uren later vroeg ik me nog af of hij het had weten te redden, zijn long way home. Het zijn voor iedereen onzekere tijden, en voor iedereen blijkbaar op zijn eigen manier.